Skip to main content

Een blog voor Vice Versa door Stef Smits.

Afgelopen week kwamen de uitslagen van de eindexamens. Minister Ploumen kan haar vlag met boekentas nog niet uithangen. Als ik zo haar rapport en cijferlijst bekijk, moet ze voor tenminste één van haar hoofdvakken – water – op herkansing, schrijft Stef Smits van IRC. In deze blog heeft hij een aantal oefenvragen ter voorbereiding.

Slecht rapportcijfer voor het hoofdvak 'water'

Minister Ploumen koos net als haar voorganger een pakket met vier hoofdvakken: water, sexuele en reproductieve gezondheid en rechten, voedselzekerheid en veiligheid en rechtsorde. Binnen het hoofdvak water was haar belangrijkste doelstelling het voorzien van 25 miljoen mensen met sanitaire voorzieningen tot 2015, en 25 miljoen met drinkwater tot 2018.

Volgens de resultatenrapportage tot en met 2014, hadden 16,9 miljoen mensen toegang tot sanitaire voorzieningen gekregen en 11.,6 toegang tot water. De Minister geeft in antwoord op schriftelijke vragen aan dat de precieze data voor 2015 nog worden verwerkt, maar ze verwacht dat in totaal 3,6 miljoen mensen toegang tot sanitaire voorzieningen hebben gekregen, en 1,6 miljoen mensen tot water. Zelfs als de cijfers toch wat positiever uitpakken, dan zal de doelstelling voor sanitaire voorzieningen niet gehaald worden in 2015; en voor watervoorzieningen zal het ook niet gehaald worden, zoals de minister al in haar resultatenrapportage over 2014 aangaf.

Wel scoort de Minister een ‘goed’ voor de presentatie van haar werk. De resultatenrapportages laten duidelijk zien welke resultaten zijn behaald en in het jaarverslag geeft ze aan hoeveel budget inspanning ze heeft geleverd en legt ze uit waarom bepaalde doelstellingen niet zijn behaald. En er zijn talloze onderliggende sheets met meer detail over de behaalde water resultaten. Terecht daarom dat ze als een van de beste bilaterale donoren scoort op de aid transparency index.

En ook aan de kwaliteit van het werk ligt het niet. Onlangs werd Nederland nog geprezen als een leidende donor op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid van drinkwater en sanitaire voorzieningen door de Britse Independent Commission on Aid Impact.

Kortom, de Minister levert kwalitatief hoogwaardig werk en presenteert dat ook goed, maar scoort een onvoldoende wat betreft de kwantitatieve doelstelling.

Op herkansing

Aanstaande dinsdag moet de Minister op herkansing. Tijdens het wetgevingsoverleg staan onder andere haar jaarverslag en resultaten rapportage op de agenda. De examencommissie had al schriftelijke vragen gesteld, waar ze in elk geval goed op heeft geantwoord. Nou moet ze deze mondelinge herkansing gebruiken om: 1) nadere uitleg te geven over de redenen van het niet behalen van haar doelstellingen voor één van haar hoofdvakken, 2) aangeven hoe ze de trend kan ombuigen en alsnog de doelstellingen kan behalen.

Oefenvragen

De Minister heeft nog een aantal dagen om zich goed voor te bereiden op de herkansing. Ik weet natuurlijk niet wat de examinatoren in de Kamer precies gaan vragen. Maar ik heb wat oefenvragen voor haar, afgaande op het soort vragen dat je van de verschillende examinatoren mag verwachten.

Vraag 1: relatie tussen Ebola en waterbeleid

Helemaal links aan de examentafel zit Smaling (SP). Als oud-professor (ik heb nog het genoegen gehad een van zijn studenten te zijn), zal hij wel analytische vragen stellen en vragen naar dwarsverbanden. Hij zou bijvoorbeeld kunnen vragen hoe de relatie is tussen het waterbeleid en de Ebola crisis, iets waar hij zich afgelopen jaar sterk voor heeft gemaakt. Daarop kunt u antwoorden dat u vorig jaar een groot deel van uw waterbudget hebt ingezet voor de Ebola bestrijding. Dit heeft wel betekend dat minder mensen dan verwacht toegang kregen tot sanitaire voorzieningen. Inmiddels is dit – financieel – weer grotendeels recht gezet: er is onder andere meer geld naar UNICEF gegaan om aan water en sanitaire voorzieningen te werken. Maar kaats de bal terug naar Smaling. Om toekomstige uitbraken van Ebola te beperken zijn sanitaire voorzieningen en met name goede hygiëne cruciaal. Vraag hem, en de rest van de Kamer, om meer geld hiervoor in de Ebola landen.

Vraag 2: Duurzaamheid

Jesse Klaver zal als GroenLinks-er ongetwijfeld een vraag stellen over de duurzaamheid van de waterprogramma’s. Dat is een inkoppertje. Immers Nederland loopt internationaal gezien voor in het verduurzamen van haar waterprogramma. Nederland doet dit door harde clausules te maken over duurzaamheid en deze regelmatig te onafhankelijk te laten checken. U moet wel nog wat huiswerk doen. In de resultatenrapportage wordt melding gemaakt van de duurzaamheid van het water programma in Rwanda, maar er is geen overzicht van de duurzaamheid van alle programma’s. Probeer de duurzaamheidscijfers van alle water programma’s voor dinsdag bij elkaar te brengen en laat die aan Jesse zien. Dan weet ik zeker dat u hier de volle 10 punten op kunt scoren.

Vraag 3: Niet uitgegeven budget

Joost Taverne (VVD) is natuurlijk altijd kritisch op de kosten. Hij zou kunnen vragen of de begroting van volgend jaar niet met 20 miljoen verlaagd kan worden. Immers, u heeft in 2015 20 miljoen minder uitgegeven dan begroot.

Pas op. Dit is een instinker. U moet in uw antwoord herhalen wat de redenen zijn van de lagere uitgaven: dat een deel aan Ebola is uitgegeven (zie vraag 1), dat het Benin water programma tijdelijk is stil gelegd, en dat er ook in andere landen vertragingen waren in het uitvoeren van de programma’s. Om dit te ondervangen moet het budget eigenlijk met tenminste 20 miljoen Euro worden verhoogd! Immers er zijn altijd onvoorziene omstandigheden waardoor programma’s vertraging oplopen, en dat terwijl de doelstellingen wel gelijk blijven. Door het budget te verhogen, heeft u meer buffer om vertragingen in één land op te vangen door versnelde uitgaven in een ander land. Het zou ook wel heel ironisch zijn als we een premier hebben die zitting neemt in een VN panel dat pleit voor meer investering voor waterbeheer, terwijl we zelf ons budget voor water verminderen.

Vraag 4: Hoeveel budget is er dan wel nodig? En kunnen we dat wel betalen?

Ik ga ervanuit dat uw partij in het verkiezingsprogramma voor volgend jaar gewoon vast houdt aan de 0,7% van BNP voor Ontwikkelingssamenwerking. Het is van belang dat uw partij goed kan onderbouwen dat die 0,7% nodig is, beginnende met berekeningen per speerpunt. Roelof van Laar (PvdA) zou dus wel eens met een rekenvraag kunnen komen: hoeveel geld is er nodig om wél aan de meerjaren doelstellingen voor het speerpunt water te voldoen, en is dat haalbaar binnen de 0.7% van het BNP voor ontwikkelingssamenwerking.

Dat is een lastige vraag omdat a) de kosten van water en sanitaire voorzieningen nogal verschillen tussen landen en b) omdat u een nieuwe meerjaren doelstelling hebt geformuleerd, om in 2030 50 miljoen mensen te voorzien van sanitaire voorzieningen en 30 miljoen van drinkwater. U zou kunnen voorrekenen dat het minimaal 93 miljoen Euro per jaar gaat kosten. Maar dan gaat Nederland voor een dubbeltje op de eerste rang zitten: voor dit lage bedrag zal de duurzaamheid niet gegarandeerd kunnen worden (zie vraag 2), zal er geen buffer zijn voor tegenvallers (zie vraag 3) of flexibiliteit om in te springen op noodsituaties als Ebola (zie vraag 1 en 4). Als je daar wel rekening mee wilt houden, kom je uit op 200 miljoen Euro per jaar. Dat is omgerekend 0.03% van ons BNP, of 3% van de totale ODA uitgaven. Tel daar nog een vergelijkbaar budget bij op voor waterbeheer, en je zou uitkomen op 0.06% van ons BNP of 6% van de totale ODA uitgaven. Het antwoord op deze rekenvraag is dus een volmondig ja. Zelfs als je uitgaat van een relatief duur scenario, kun je de meerjaren doelstellingen voor één van de 4 speerpunten halen met slechts 6% van je ODA uitgaven en ruim binnen de 0.7% van BNP norm.

Vraag 5: Eerstejaarsopvang van asielzoekers

Gezien zijn eerdere vragen over dit thema, zal Joël Voordewind (CU) waarschijnlijk naar de gevolgen van de toerekening van de eerstejaarsopvang van asielzoekers naar het ontwikkelingsbudget, bijvoorbeeld of dat ook impact heeft gehad op het niet behalen van de water doelstellingen.

Ik hoef u natuurlijk niet te vertellen dat dit een netelige kwestie is. Dit zou mijn antwoord zijn op deze vraag. Het is niet direct zo dat het één ten koste gaat van het ander. In uw antwoord op de vraag van de heer Taverne gaf u al aan wat de redenen zijn van het niet uitgeven van de begrote bedragen, en de vluchtelingencrisis was er daar géén van. Wel betekent de toerekening van de kosten van eerstejaarsopvang minder flexibiliteit om met budgetten te schuiven. Daardoor kunnen vertragingen in water programma’s op één plek niet opgevangen worden met intensiveringen elders. Hoe dat volgende jaren zal zijn moet blijken.

De kosten van de eerstejaarsopvang van een asielzoeker staan gelijk aan die van het aanleggen van drinkwater en sanitaire voorzieningen voor een dorp met 1000 mensen. Natuurlijk zal het niet hebben van een toilet of een pomp niet de voornaamste reden zijn dat mensen migreren. Maar de aanleg van dergelijke voorzieningen dragen ontegenzeggelijk bij aan armoedeverlichting en welzijn. Daarom zijn de investeringen in water net zo hard nodig als het dragen van de kosten van eerstejaarsopvang. Het is daarom het beste als het één niet ten koste gaat van de ander.

Vraag 6: Bodemloze put

De laatste vraag is een open vraag. Martin Bosma (PVV) vraagt om een kort essay over de onzin van hulp aan de water sector. Verwerk in uw antwoord de begrippen “bodemloze put” en “weggegooid geld”.

Dit is uw kans om de Kamer te laten zien dat – ondanks alle kanttekeningen – hulp aan water goed besteed is. Inzetten op OS is geen weggegooid geld. Voor 86 miljoen Euro heeft Nederland, 3,6 miljoen mensen voorzien van sanitaire voorzieningen en 1,6 miljoen van water – omgerekend 16 Euro per persoon. Dus voor relatief weinig geld worden er zeker resultaten behaald. Wel zijn we als Nederland bezorgd dat sommige waterputten inderdaad bodemloos zijn. De foto’s van kapotte pompen en ingestorte toiletten zijn overbekend. Daarom besteedt Nederland extra aandacht aan duurzaamheid, zoals al aangegeven in vraag 2. Om echt duurzaam te zijn en bodemloze putten te voorkomen – wat ik samen met u wil – is een groter budget nodig: ongeveer 32 Euro per persoon.

De vlag kan uit

Ik hoop dat deze oefenvragen u helpen bij het voorbereiden op de herkansing. Met wat extra huiswerk kunt u de examinatoren overtuigen dat u kwalitatief goede en duurzame resultaten heeft behaald op het gebied van water. Maar u zult moeten toegeven dat de aantallen mensen die bereikt zijn niet conform de doelstelling zijn. Om volgend jaar te kunnen slagen heeft u simpelweg meer budget nodig voor dit hoofdvak – en dat zou prima moeten kunnen binnen de bestaande ontwikkelingsbudgetten. Leg die vraag daarom terug bij de examencommissie. Dan kan bij u, en bij ons in de watersector, de vlag uit.

Disclaimer

At IRC we have strong opinions and we value honest and frank discussion, so you won't be surprised to hear that not all the opinions on this site represent our official policy.

Thema’s

Tags

IRC Nieuwsbrief

Get the latest news delivered to your inbox.

Schrijf u nu in